Het coalitieakkoord 2026–2030 bevat een omvangrijk pakket aan maatregelen dat gericht is op het herstel van basisvaardigheden, het versterken van lerarenprofessionaliteit, structurele investeringen in het onderwijs en een verdere juridische en bestuurlijke normering van het onderwijsstelsel. Deze voorgestelde beleidswijzigingen hebben directe gevolgen voor schoolbesturen, instellingen in het mbo, hbo en wo, en voor professionals die zich binnen het onderwijsveld bewegen. Hoewel het nu nog gaat om aangekondigd beleid van een minderheidscoalitie, waarvoor aanzienlijke uitwerking nodig is, bieden de plannen een duidelijk beeld van de richting waarin het onderwijsbeleid zich de komende jaren zal ontwikkelen.
Veel van de aangekondigde maatregelen raken de kernterreinen van onze praktijk. Daarom lichten wij hieronder enkele onderwerpen uit en geven wij een eerste inschatting van wat onderwijsorganisaties hiervan in de praktijk kunnen verwachten — en waarop zij zich mogelijk nu al kunnen voorbereiden.
Funderend onderwijs
De coalitie wil structureel investeren in het verbeteren van basisvaardigheden zoals taal, lezen, schrijven en rekenen. De ambitie is dat onderwijsinstellingen aantoonbaar betere leerprestaties realiseren. Deze beoogde impuls gaat gepaard met een verdere juridische normering van methoden, kwaliteitskaders en een intensivering van het inspectietoezicht. Wij verwachten dat vooral de volgende onderdelen praktische en juridische gevolgen zullen hebben:
- Striktere eisen aan leerresultaten en methodekeuzes zullen schoolbesturen verplichten om beleidsdocumenten, kwaliteitskaders en interne verantwoordingsstructuren te actualiseren.
- De Inspectie van het Onderwijs krijgt een bredere opdracht om actief toezicht te houden op (de vermindering van) regeldruk.
- De beoogde normering van leermiddelen en de introductie van verplichte kwaliteitskaders voor onderwijsadviseurs kunnen leiden tot een benodigde herziening van contracten met uitgeverijen, leveranciers en externe adviseurs.
Daarnaast zetten de coalitiepartijen in op het versterken van loopbaanpaden, de differentiatie binnen het leraarschap en de verdere professionalisering van onderwijsbestuurders, waarbij accreditatie als norm wordt genoemd (zij het waarschijnlijk in de vorm van zelfregulering). De inzet op zij‑instromers, topleraren en beperking van externe inhuur kan tot de volgende juridische en organisatorische gevolgen leiden:
- Aanpassingen in functieprofielen, taakverdeling en professionele rollen vragen om herijking van rechtspositiereglementen en personeelsbeleid.
- De herijking van de PABO‑differentiatie en beperking van externe inhuur kan leiden tot heronderhandeling van arbeidsvoorwaarden en nieuwe professionaliseringsafspraken binnen teams.
Er komt een periodieke Vereenvoudigingswet, waarmee jaarlijks regels worden geschrapt of aangepast. Ook wordt de Wet meer ruimte voor nieuwe scholen herzien, wat directe gevolgen zal hebben voor stichtingsprocedures. Verder benoemt het akkoord de introductie van een aanmeldplicht voor kinderen vanaf 4 jaar voor het basisonderwijs.
Vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo)
Voor het mbo, hbo en wo beoogt het coalitieakkoord stabielere en minder kwetsbare financiering, mede door instellingen minder afhankelijk te maken van internationale studentinstroom. Traditioneel leiden wijzigingen in bekostigingsvoorwaarden tot discussie over doelmatigheid, interpretatie van regelgeving en herberekeningen. Wij verwachten dat dit de komende jaren opnieuw een belangrijk thema zal worden — al maakt de aangekondigde extra investering in het onderwijs het debat mogelijk minder scherp.
Daarnaast komen er bindende bestuurlijke afspraken over de capaciteit van anderstalige opleidingen, een numerus fixus voor niet‑EER‑studenten en een noodfixus bij piekaanmeldingen. Deze beleidsvoornemens zijn in lijn met het al langer besproken wetsvoorstel Internationalisering in balans. Instellingen zullen opnieuw zorgvuldig moeten nadenken over:
- juridisch houdbare toelatings- en selectiecriteria,
- beleid rondom toegankelijkheid, gelijke behandeling en proportionaliteit van maatregelen,
- de gevolgen voor curriculumopbouw en opleidingscapaciteit.
Tot slot wordt ingezet op de invoering van een wettelijke stagevergoeding, het stimuleren van praktijkleren en intensievere samenwerking tussen opleidingen en bedrijfsleven. Dit vraagt in de praktijk om:
- een actualisatie van samenwerkingsovereenkomsten,
- herziening van stagebeleid en aansprakelijkheidskaders,
- nieuwe afspraken tussen instellingen, praktijkpartners en werkgevers.