Deze week werd de Staat van het Onderwijs 2026 uitgebracht. Daarin komt een reeks aan onderwerpen in bod, waar wij verschillende van uitlichten. Allereerst het onderwerp van kwaliteitszorg, omdat wij in het funderend onderwijs en mbo zien dat dit in het kader van inspectiebezoeken steeds vaker tot verschil van inzicht leidt.
Algemeen
De Staat van het Onderwijs 2026 laat een beeld zien dat inmiddels vertrouwd, maar niet minder problematisch is: de Inspectie van het Onderwijs constateert structurele tekortkomingen in de kwaliteitszorg. Opvallend is dat deze tekortkomingen zich niet beperken tot instellingen met tegenvallende leerresultaten. Ook waar onderwijsinhoudelijk op onderdelen sprake is van acceptabele of zelfs goede uitkomsten, constateert de extern toezichthouder dat de sturing op kwaliteit onvoldoende is ingericht, onvoldoende wordt uitgevoerd of onvoldoende wordt geëvalueerd. Deze ontwikkeling is juridisch en bestuurlijk relevant: de (zorg)plicht om te voorzien in een voldoende kwaliteitszorgsysteem krijgt een steeds prominenter rol als zelfstandige (resultaats)norm waaraan scholen en besturen moeten voldoen. Dat heeft gevolgen voor de manier waarop beleidsdoelen worden geformuleerd, uitgevoerd en verantwoord.
Kwaliteitszorg als normatief kader
Kwaliteitszorg is wettelijk verankerd in de sectorwetten en uitgewerkt in de toezichtkaders van de Inspectie van het Onderwijs. Kern daarvan is vrij vertaald dat besturen het onderwijs planmatig en cyclisch moeten bewaken en verbeteren. De Staat van het Onderwijs 2026 bevestigt dat de Inspectie van het Onderwijs deze verplichting steeds nadrukkelijker controleert en ook ten grondslag legt aan een onvoldoende kwaliteitsoordeel. Het gaat niet alleen meer om de vraag of de resultaten op enig moment voldoen, maar vooral ook om de vraag of een bestuur beschikt over een deugdelijk systeem waarmee tijdig risico’s worden gesignaleerd, verbetermaatregelen worden ingezet en effecten daarvan worden geëvalueerd.
Daarmee ontstaat een nieuw accent in het toezicht, waarbij onderwijsorganisaties worden beoordeeld op de vraag of zij in potentie, gelet op beleidscycli in staat zijn om zichzelf duurzaam te verbeteren. Ontbreekt dat vermogen, dan wordt kwaliteitszorg als onvoldoende aangemerkt, ook wanneer concrete onderwijskundige problemen nog beperkt (of helemaal niet) zichtbaar zijn. In de Staat van het Onderwijs 2026 wordt dit zichtbaar in het hoge aandeel herstelopdrachten op het terrein van kwaliteitszorg, zowel bij scholen als bij besturen.
Kwaliteitszorg als weerbarstig governancevraagstuk
De analyse in de Staat van het Onderwijs 2026 maakt duidelijk dat onvoldoende kwaliteitszorg niet een probleem is van de onderwijspraktijk alleen, maar juist zit op de verbinding tussen bestuur en beleid enerzijds en onderwijspraktijk anderzijds. Tekortkomingen worden vaak vastgesteld op het niveau van visie, prioritering en samenhang. Doelen zijn onvoldoende concreet geformuleerd, beleidskeuzes worden niet consistent doorvertaald naar de uitvoering en evaluaties leiden niet of onvoldoende tot bijstelling. Daarmee krijgt kwaliteitszorg meer en meer het karakter van een governancevraagstuk. Het gaat om bestuurlijke keuzes over focus en capaciteit, om de verhouding tussen bestuur en schoolleiding en om de wijze waarop signalen uit de organisatie worden opgepakt.
Dit verklaart overigens ook waarom herstelopdrachten regelmatig niet binnen de gestelde termijn tot het gewenste resultaat leiden: een van de constateringen in de Staat van het Onderwijs 2026 is dat een aanzienlijk deel van de scholen en besturen ook na een hersteltermijn opnieuw als onvoldoende wordt beoordeeld op kwaliteitsaspecten (niet per se kwaliteitszorg alleen). Dat roept vragen op over de uitvoerbaarheid van herstelopdrachten, maar ook over het ontwikkelvermogen van onderwijsorganisaties. In veel gevallen lijkt sprake van overbelasting: bestuurlijke agenda’s zijn vol, docententeams kunnen zich maar zoveel ontwikkelen binnen een schooljaar, beleidsinitiatieven stapelen zich op en structurele borging blijft achter. In inspectierapporten zien wij bovendien dat het niet alleen gaat om ontbrekende documentatie of gebrekkige praktijk, maar vooral op het (verondersteld) ontbreken van samenhang. Samenhang is überhaupt een sleutelwoord geworden in de Staat van het Onderwijs 2026, maar ook in inspectierapporten – of het nu gaat om burgerschapsonderwijs, basisvaardigheden of kwaliteitszorg.
De manier waarop de Inspectie van het Onderwijs kwaliteitszorg beoordeelt, roept overigens onvermijdelijk ook vragen op over rechtszekerheid. De normen zijn open geformuleerd en laten ruimte voor maatwerk, maar de Staat van het Onderwijs 2026 en de praktijk laat zien dat de verwachtingen steeds concreter worden. Besturen worden geacht te weten wat onder een deugdelijk stelsel van kwaliteitszorg wordt verstaan. Tegelijkertijd blijft de invulling daarvan in belangrijke mate afhankelijk van context en schaal. Er is wel een aanpassing en nadere invulling van de kwaliteitszorgstandaarden aangekondigd, te verwachten in de onderzoekskaders van 2027.
Kwaliteitszorg als knooppunt van beleid
Uit de Staat van het Onderwijs 2026 en recente accenten in extern toezicht wordt duidelijk dat kwaliteitszorg niet slechts één van de vele beleidsdomeinen is, maar het knooppunt waar vrijwel alle beleidsdoelen samenkomen. Versterking van basisvaardigheden, uitvoering van de burgerschapsopdracht, passend onderwijs en professionalisering van personeel veronderstellen allemaal dat doelen expliciet worden gemaakt, dat de uitvoering wordt gevolgd en dat effecten worden geëvalueerd.
Wie kwaliteitszorg niet op orde heeft, zou – gelet op de manier waarop kwaliteitszorg nu wordt geïnterpreteerd – bijna geen enkel beleidsdoel duurzaam kunnen realiseren. Terwijl dat natuurlijk geenszins het geval hoeft te zijn. Ook als een kwaliteitszorgsysteem op papier niet volledig of samenhangend is, kan de kwaliteit van het onderwijs door de inzet en betrokkenheid van bekwame leraren gewoon op orde zijn. Omdat het onderwijssysteem – in de klas, op een locatie, binnen een opleiding – op orde is.
Dat spanningsveld vraagt permanent om uitleg en onderbouwing van de eigen manier van werken. In de terminologie van recente rapporten: door expliciet te maken hoe kwaliteitszorg binnen de eigen organisatie is ingericht en waarom dat, in samenhang bezien, voldoet aan de wettelijke eisen en de verwachtingen van het externe toezicht. Beleidskeuzes mogen niet afhankelijk zijn van tijdelijke projecten, individuele inzet of incidentele middelen, zonder structurele borging.
Blik vooruit
De Staat van het Onderwijs 2026 bevestigt dat kwaliteitszorg meer en meer wordt opgevat als noodzakelijke voorwaarde voor goed bestuur en als toetssteen voor het externe toezicht. Kwaliteitszorg kan nog steeds uiteenlopende invulling krijgen, passend bij de eigen scholen en organisatie, maar het wordt wel steeds arbeidsintensiever om een eigen invulling van kwaliteitszorg goed uit te leggen en in het juiste hokje te laten vallen. De wettelijke norm van kwaliteitszorg is open geformuleerd. De aangekondigde duiding door de toezichthouder in onderzoekskaders, kan houvast bieden. Maar de principiële vraag is of deze open norm wel door de toezichthouder ingevuld zou moeten worden, of dat juist de wetgever of schoolbesturen zelf aan zet zijn? Wij voorzien soortgelijke discussies omtrent kwaliteitszorg als in de afgelopen jaren omtrent de burgerschapsopdracht zijn gevoerd.